• Ingrid Oonincx

Veel zeggen met weinig woorden


Dikke boeken zijn heerlijk. Zo verdween ik wekenlang in de wereld van ‘Een klein leven’ van Hanya Yanagihara, ‘Ik ben Pelgrim’ van Terry Hayes, ‘22-11-63’ van Stephen King en ‘Het achtste leven (voor Brilka)’ van Nino Haratischwili. Mooi bijeffect is dat je als koper van zo’n boek van soms meer dan duizend bladzijden, echt het gevoel hebt dat je waar voor je geld krijgt. Regelmatig betaal je dezelfde prijs voor een boek dat veel dunner is.


Ik heb enorm veel respect voor de auteurs van deze dikke boeken. Ze doen vaak veel research, duiken diep in de geschiedenis en/of beschrijven het leven van verschillende generaties. Vaak vertellen ze een verhaal vanuit meerdere perspectieven of bedenken ze een geschiedenis die zo complex is dat er heel veel woorden nodig zijn. Meestal werken deze schrijvers jaren aan zo’n boek. Een indrukwekkende prestatie.


Schrapper Zelf zou ik ook graag een dik boek willen schrijven, maar dat is een onrealistische droom, want ik ben een echte schrapper. Vermoedelijk komt dat door de journalistieke opleiding die ik volgde en waar pogingen tot mooischrijverij meteen werden afgestraft. Na mijn afstuderen ging ik voor een hogeschoolblad werken, waar de journalistieke schrijfwijze eveneens op prijs werd gesteld. Feitelijk en toegankelijk moest het zijn. Daar was ik intussen best goed in geworden.


Rode streep Maar toen begon ik aan mijn eerste boek. Eindelijk was er ruimte voor mooie observaties en lange sfeer- en locatiebeschrijvingen. Helaas waren de redacteuren van de uitgeverij al net zo efficiënt als mijn docenten en de eindredacteur op mijn werk. Zodra ik me waagde aan uitweidingen, ging er een rode streep doorheen. In een thriller moet alles een functie hebben, leerden ze me en te veel beschrijvingen, uitleg en zijpaden halen de spanning en de snelheid uit een verhaal.


Domper Dat was een domper, maar toch duurde het niet lang totdat ik overtuigd raakte van deze aanpak. Met weinig woorden kun je namelijk heel veel zeggen. Dat is moeilijk, maar tegelijkertijd een mooie uitdaging. Zo kan de helft van de bijvoeglijke naamwoorden geschrapt worden zonder dat de betekenis verandert. Onnodige zijpaden mogen weg. En bovendien: soms is het verhaal dat je wil vertellen nu eenmaal snel verteld en moet je niet proberen het met allerlei ingrepen op te rekken om die bladzijdes maar te vullen. Het is de kunst om dat zelf in te zien. En anders doet een goede redacteur dat wel voor je.


Steengoed Die boeken waar ik deze column mee begon, vind ik steengoed. Stiekem wacht ik nog steeds op de dag waarop zich een gelaagd verhaal aandient dat ik kan vertellen in duizend functionele pagina’s vol doeltreffende woorden. Tot die tijd schrijf ik ‘medium’ dikke boeken. Mijn nieuwe thriller Verdwenen telt 275 bladzijden. Een voordeel: er staat geen woord te veel in, dus je krijgt wel waar voor je geld.